Regelfuncties onmisbaar voor geregeld leven

Informatief

 

Veel mensen met autisme of AD(H)D hebben problemen om hun leven te organiseren. Hun hun executieve of regelfuncties werken niet zoals gewenst. Maar wat zijn dat eigenlijk? Hoe maken mensen ervan gebruik? Henk ten Hove, ambulant begeleider bij de schoolbegeleidings- dienst Kentalis, geeft er regelmatig workshops over een, volgens hem “razend populair” verklaringsmodel. Een verkorte weergave.

 

Mensen die boodschappen gaan doen, maken in hun hoofd een plan: wat gaan ze kopen, waar gaan ze naartoe, hoe gaan ze erheen, hoe lang gaat het duren en hoeveel geld gaat het kosten? Regelfuncties klinken simpel: zij plannen en organiseren taken.

Menselijke hersenen zijn in staat om stap voor stap een plan uit te voeren. Voor mensen met autisme en AD(H)D is de organiserende functie onvoldoende ontwikkeld. Ze kunnen zich moeilijk voorstellen hoe ze een plan moeten maken, welke stappen daarvoor nodig zijn en hoeveel tijd die kosten.

Ook bij mensen met autisme zijn de executieve functies onvoldoende ontwikkeld. Zo kan een kind met autisme ’s ochtends grote moeite hebben om op tijd klaar te zijn. Een eenvoudig stappenplan kan helpen. Het kind werkt de stappen af en raakt veel minder gestrest.

Mensen met autisme hebben minder werkgeheugen. Ook bezitten ze minder strategieën om te plannen en denken ze minder flexibel. Ook hebben ze moeite om een bepaalde handeling, bijvoorbeeld het dichtknopen van een overhemd, automatisch te doen. Kortom: ze hebben problemen met de executieve functies.

 

Remmetjes

Een verklaring voor deze problemen geeft de neuropsychologie. Deze gedragswetenschap houdt zich bezig met de invloed van de werking van de hersenen op het gedrag van mensen.
De regelfuncties worden bestuurd vanuit het voorste gedeelte van de hersenen, de prefrontale cortex of kwab. Daar zitten ook de ‘remmetjes’.
Hoe is de wetenschap hier achter gekomen? In 1848 overleefde een Amerikaanse spoorwegmedewerker een ongeval. Bij het aanleggen van een spoorwegbaan ontplofte een staaf dynamiet vroegtijdig. De staaf ging dwars door zijn oog en verliet links zijn hersenpan.
Tot ieders verbazing kon de man na het ongeval
gewoon weer werken. Was hij voorheen echter een modelmedewerker, nadien was hij een onaangenaam mens geworden. Zijn remmen waren verdwenen door de beschadiging van het voorste deel van zijn hersenen.

 

Grasland

20De werking van de hersenen is te vergelijken met een grasland waar het gras erg hoog staat. Als iemand door het gras loopt, dan sluiten de halmen zich achter hem. Er is niets te zien.

Als iemand één keer een activiteit doet, is er nog niets in de hersenen te zien. Doet hij dezelfde handeling
tien keer, dan begint er een ‘paadje’ te ontstaan. Als de persoon zijn handeling honderd keer herhaalt, dan komt er een ‘weggetje’, er ontstaan een patroon. Neuropsycholoog prof. Jelles Jolles zegt: “Er zijn verbindingen in de hersenen, maar het is ook belangrijk dat erin wordt gesnoeid. Niet alle verbindingen zijn effectief; je hebt ze niet allemaal nodig. Je kunt dit zien in de hersenen van volwassenen. Hun weggetjes lijken wel snelwegen geworden.”
Opvoeders en onderwijsgevenden moeten dus snoeien
in de hersenwegen van het kind. Anders vervalt het in van alles en nog wat. Hun hersenen zijn nog volop in ontwikkeling. Die groeien van het eerste tot het vijftiende levensjaar, maar de regelfuncties ontwikkelen zich nog tot het 25e levensjaar.

 

Veel oefenen

Het is daarom belangrijk dat (beroeps)opvoeders veel oefenen. Van dit voordoen gaat het kind nadoen. Zo gaat het zelf zijn gedrag managen.
Het kan voorkomen dat een kind van 14 nog weinig gevoel voor structuren heeft. Dat kan een kenmerk van een vertraagde ontwikkeling van de regelfuncties zijn. Ouders en leerkrachten moeten dan zélf de prefrontale cortex van het kind zijn. Zij moeten het tekort van het kind compenseren door te voorstructureren. Het is fout als zij denken: ‘laat maar gaan.’ Daarmee komt het kind niet verder.

De ontwikkeling van het plannen komt bij een kind van buiten naar binnen. Langzamerhand gaat het kind het geleerde toepassen en wordt het zelfstandig.*
Ouders en andere opvoeders doen er goed aan om aan te sluiten bij het al bestaande gedrag van het kind en niet te ver van hun ontwikkeling af te wijken. Bedenk wat de volgende stap kan zijn. Te vaak zijn zij bezig op gedrag dat bij kinderen nog niet solide is gevestigd. Dan bouwen ze op drijfzand.

 

Taak oppakken

Er zijn elf executieve functies, onderverdeeld in
twee groepen. De eerste groep is gegroepeerd rond
het denken: denk aan planning, organisatie en timemanagement. Groep 2 bestaat uit het uitvoeren: het oppakken van de taak en impulsremming.
Hoe kunnen ouders en leerkrachten een kind het beste helpen? Het is belangrijk om met een stappenplan te werken. Ga op zoek naar de sterke kanten van het kind. Ouders, leerkracht en –indien mogelijk– het kind zelf kunnen een vragenlijst invullen. Een andere manier is informatie te verzamelen via een interview.*
Na het verzamelen van de gegevens kan de opvoeder één ontbrekende executieve functie kiezen die eruit springt, bijvoorbeeld organisatie. Het is vooraf belangrijk het doel te bepalen, bijvoorbeeld: “Ik wil dat mijn kind alles meeneemt naar school wat in de agenda staat.”
De leerkracht kan dan controleren of de leerling het huiswerk ook in zijn agenda heeft geschreven. Een ouder kan helpen met de controle of hun kind alle spullen daadwerkelijk in zijn tas heeft stopt.
Ouders én leerkracht moeten de lat niet te hoog leggen en ervoor zorgen dat ze altijd een plan B hebben. Dit is nodig in het geval dat het kind het even niet weet.

 

Omgeving veranderen

Ouders en leerkracht kunnen de zwakkere regelfuncties van het kind sterk compenseren door verandering van zijn omgeving. Een plek van de leerling vlak bij de deur of bij het raam is niet goed. Dan wordt hij te vaak afgeleid.

Een kind met een beperkte regelfuncties wordt tureluurs van een muur in het klassenlokaal die volhangt met tekeningen of van een chaotisch bureau thuis.
Ouders en leerkracht moeten hun manier van uitleg eens kritisch bekijken. Is die eenduidig? Maken ze gebruik van een dialoog? Controleren ze of de instructie is overgekomen?

Er zijn computerprogramma’s die de executieve functies trainen. Een kind met autisme of ADHD kan alleen het geleerde niet goed toepassen in een andere situatie.
De overgang naar zo’n andere setting is belangrijk. Het kind moet leren van het vele voordoen. Kleine dingen kunnen daarmee van grote betekenis zijn. Juf en meester moeten vakmensen zijn. En ouders goede opvoeders.

 

Jenneke Wolvers-ten Hove

 

* Leerkrachten kunnen het boek ”Executieve functies bij kinderen en adolescenten” van Peg Dawson en Richard Guare gebruiken voor het maken van een stappenplan bij tekorten in de executieve functies. Hierin staan ook een vragenlijst en een voorbeeldinterview.

Voor ouders: “Slim maar.. “ van Peg Dawson en Richard Guare om kinderen te helpen hun talenten benutten door hun executieve functies te versterken.