Pastoraal pionier 
voor de minder begaafde

Interview

 

Ds. L. van Nieuwpoort: Toen ik het stervende meisje zegende, werd de kamer enorm verlicht.

 

Een telefoontje van zijn vicaris zorgde ervoor dat hij toch geestelijk verzorger van gehandicapteninstelling Philadelphia werd. Waar hij zeven jaar lang zwaar en lichter verstandelijk gehandicapten pastoraal bediende. En als pionier een soort theologie voor mensen met een beperking uitdacht.

“De eerste keer dat ik met een gehandicapte in aanraking kwam, was in mijn eerste gemeente, Uddel, waar ik van 1962 tot 1966 diende”, vertelt de 82-jarige emerituspredikant in zijn Amersfoortse appartement. “Het betrof een dochter van een ouderling. Dat meisje was zo agressief, dat als zij beneden was, de andere kinderen uit angst boven bleven. Uithuisplaatsing was onontkoombaar. Uiteindelijk ben ik met het meisje in mijn Vespa-autootje op zoek gegaan naar een plaats. Dat is ten slotte gelukt.”
In zijn derde gemeente, Nunspeet, kreeg ds. Van Nieuwpoort volop te maken met verstandelijk gehandicapten. “In die plaats waren drie tehuizen
van Stichting Philadelphia Voorzieningen. Ik kreeg de bijzondere opdracht regelmatig in een van die huizen een weeksluiting te verzorgen. Zo heb ik mensen met

een beperking beter leren kennen.”
De Nunspeetse predikant ging ook aangepaste diensten voor mensen met een handicap leiden. Dat was nieuw in die tijd. “Als verbaal ingesteld mens moest ik
leren de preek zo visueel mogelijk te maken. Ik nam meestal een eenvoudig verhaal. En ik leerde de preken als dialoog te houden. Dan begon ik met een vraag. Niet altijd kwam er een antwoord, soms een verkeerd antwoord. Dan raakte ik even de lijn van de preek kwijt.”
In nam ds. Van Nieuwpoort een beroep naar Huizen aan. “Drie jaar later werd ik gebeld door iemand
van Philadelphia met de vraag of ik de eerste instellingspastor wilde worden. Ik heb geen ”ja” gezegd, maar wel –een beetje ondoordacht– erbij gezegd dat als ze niemand konden vinden, ze bij me mochten terugkomen.”

 

Het onedele

Zes verzoeken aan collega-predikanten en een jaar later was het zo ver. “Ik leidde wel aangepaste diensten, maar om voor deze doelgroep volledig pastor te worden, zag ik niet zitten. Toen ik op zaterdagavond een bedankbrief aan het schrijven was, belde de vicaris, D. Looijen, om te informeren wat ik zou gaan doen. Toen ik meldde dat ik wilde bedanken, sprak hij op me in. “Kunt u het wel maken deze mensen te passeren?” Hij haalde zelfs de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan aan.”

Die nacht sliep de Huizer predikant bijna niet. “Ik vroeg mij af of ik inderdaad deze mensen –het onedele der wereld, zoals Paulus in I Korinthe 1:28 schrijft– passeerde. En of dat mocht. ’s Maandags heb ik een andere brief geschreven.”

 

Nauwelijks welkom

Toen ds. Van Nieuwpoort echter in 1980 in dienst trad van Stichting Philadelphia, bleek hij daar nauwelijks welkom. “Wel bij de directie, die mij had gevraagd te komen, maar niet bij de staf. Die reageerde zo: “Een Gereformeerde Bonder in onze huizen! Gaat hij nu het vermanende vingertje opheffen over samenwonende verpleegkundigen?” Ik kreeg de meest gekke opmerkingen naar mijn hoofd.”

Het keerpunt had een droeve aanleiding. “Na
een jaar werd ik in ’s nachts gebeld door een hoofdverpleegkundige: “Dat en dat 16-jarig meisje met het syndroom van Down ligt in het ziekenhuis op sterven. U hoeft natuurlijk niet te komen, want het is midden in de nacht, maar ik wilde het u toch meedelen.”

 

Honderd lampen

Ds. Van Nieuwpoort ging naar het meisje toe. “Ik
kwam bij haar. Zij was stervende. Het enige dat ik heb gedaan, is dat ik haar heb gezegend. Een glimlach
was haar antwoord – zij was een heel lief kind. Maar nadat ik haar had gezegend, gebeurde iets apart. Ineens kwam de kamer in het volle licht te staan, alsof er wel honderd lampen brandden. Ik dacht dat het
aan mijn eigen waarneming lag, maar een aanwezige verpleegkundige vroeg: Dominee, wat gebeurt er? Ik wist het op dat moment ook niet. Achteraf weet ik het wel: Het was a little bit of heaven, een klein stukje van de hemel hier op aarde.”
De uitvaartdienst leidde de pastor vanuit Matthéüs 18:10: “Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die
in de hemelen is.” “Gehandicapten, zwakken, hebben tóch engelen”, zei ik. Dat hadden de verpleegkundige en ik gezien. Diverse stafleden waren uit het veld geslagen. Plotsklaps sloeg de antipathie om in sympathie. Een psycholoog zei tegen mij: “Nu zie ik waarom u hier bent. Ik heb ik het begin wel eens onaardig tegen u gedaan, maar hier zie ik de betekenis van het pastoraat.” Een stelling bij een promotie luidde eens: De calamiteit onthult de mogelijkheden van de pastor. Die stelling gold voor mij.”

 

De werkzaamheden van ds. Van Nieuwpoort waren drieledig: pastoraat aan de bewoners, die varieerden van redelijk begaafd tot zwaar verstandelijk gehandicapt, hij leidde diensten in de instelling, die vaak ook door ouders werden bijgewoond, en
hij bezocht ouders thuis. “Die vertelden hun vaak hartverscheurende verhalen aan mij. Ik luisterde vooral. Het was heel heftig pastoraat. Soms bleef ik wel tien minuten in mijn auto zitten, biddend, denkend, moed verzamelend voordat ik durfde aan te bellen.”
Ook was de predikant verantwoordelijk voor de geestelijke vorming van de verpleegkundigen. “Zij vroegen mij hoe ze vanuit hun geloof met deze mensen moesten omgaan.” De predikant doordacht deze vraag en ontwikkelde daarbij een soort verbondstheologie voor mensen met een verstandelijke beperking. “Ik antwoordde dat de verpleegkundigen plaatsvervangend mogen bidden en geloven voor deze mensen. Ik ging daarbij door op datgene dat in de Dordtse Leerregels wordt gesteld over vroeg overleden kinderen: gelovige ouders hoeven niet te twijfelen aan de zaligheid van hun kinderen. Zij geloven plaatsvervangend.”
De geschiedenis van de vier vrienden van de verlamde man, bevestigde de predikant in zijn opvatting. “De Bijbel zegt dat Jezus hún geloof zag. Zij geloofden
in plaats van die verlamde. Dat betekent dat verpleegkundigen in plaats van de gehandicapte mogen bidden. Bijvoorbeeld voor het naar bed gaan het eenvoudige ”Ik ga slapen, ik ben moe”.”
Twee soorten diensten leidde de predikant: zowel voor zwaar verstandelijk gehandicapten als voor bewoners met hogere niveaus. De eerste duurden niet langer
dan een halfuur. “De nadruk lag op de muzikale begeleiding, ik noemde enkele teksten en ik zegende de bewoners persoonlijk. Bij de tweede groep preekte ik vooral dialogisch.”
Ook het zegenen dacht ds. Van Nieuwpoort theologisch uit. “Tijdens de kinderzegen, opgetekend in Markus 10:13-16, staat dat Hij ook de zuigelingen zegende.
Hij zei niets tegen hen, maar legde alleen de handen op en zegende hen. In de navolging van Jezus mocht
ik dat ook doen.” Een zoon van ds. Van Nieuwpoort speelde gitaar, later liet hij rustgevende harpmuziek spelen.

 

De reacties op de diensten waren positief. “De gehandicapten werden er rustiger en ook vrolijker
van. De ouders constateerden dat hun kinderen er nu helemaal bij hoorden. Mooi was een keer dat op maandag een jongen sprak. Waarover de preek ging, vroeg ik. “Over Jezus.” Er zijn slechtere reacties denkbaar. Ook was er een bewoonster die na een Paaspreek zei: “Dominee, ik ben zo blij, want Jezus is opgestaan”.”

Tijdens de diensten gebruikte de predikant vaak speciaal gemaakte tekeningen. “Ik visualiseerde eindeloos. Ik heb ook wel dia’s gedraaid. Daarmee ben ik gestopt toen een agressieve bewoner het apparaat omgooide. Dit werk is geen successtory. Toch waren er ook bewoners die belijdenis deden, vaak in hun eigen kerk.”

Voor het pastoraat was het leren kennen van de namen belangrijk. “Mensen zijn geen nummers, maar hebben een naam.

”
Ds. Van Nieuwpoort diept een oud nummer van het reünistenblad van de CSFR, Wapenveld, op. “In de jaren ’70 was er discussie over de menswaardigheid van deze personen. Een psychiater, dr. W. Metz, beweerde in zijn boek ”Onnozel leven” (1972) dat zij eigenlijk geen mensen zijn, omdat ze niet communicatief zijn en daardoor geen antwoord geven op de roep van het mens-zijn. De diep gehandicapte leeft slechts als organisme, maar is als mens dood, zo vond hij.”

 

Ds. Van Nieuwpoort moet niets van deze opstelling hebben. “Geneesheer-directeur G. van der Most van gehandicapteninstelling Maria Roepaan in Ottersum, reageerde in 1974 in het Maandblad voor Geestelijke volksgezondheid met het artikel ”Luisteren naar fluisteren”. Ik sluit me daarbij aan. Wij zijn gelijkwaardig; niet méér dan gehandicapten. Voor God staan wij op hetzelfde niveau. Onder hun gebrekkige vorm blijft hun menszijn. Bovendien zegt I Korinthe 1:23: “Het dwaze Gods is wijzer dan de mensen.” Dat is de lijn van het gehandicapte leven.”

 

Aan het werk bij Philadelphia kwam in 1987 een
eind toen een nieuwe directie het pastorale werk op drastisch ging wijzigen. Ds. Van Nieuwpoort werd ziekenhuispredikant in het Rotterdamse Ikazia. “Tijdens de afscheidsdienst zei ik: “Ik ga jullie nu voor het laatst de zegen opleggen.” Daarna kwam een bewoner met uitgespreide armen naar mij toe en zei: “En nu
ga ik u zegenen.” Dat ontroerde mij zeer. Hij wist wat zegenen inhield.”
Ds. Van Nieuwpoort staat op en komt terug met
een dikke archiefdoos met al zijn preken uit zijn Philadelphia-tijd. “Mijn liturgisch geweten is wat ruimer geworden”, zegt hij, met een glimlach terugbladerend in oude liturgieën. “Maar vaak behandelde ik geschiedenissen van Jezus. Je kunt niet zeggen dat ik niet christocentrisch preekte.”

 

Gijsbert Wolvers